Laagveengebied

Leutingewolde ligt aan de noordrand van een zandgebied, vroeger omringd door laagveen.

In deze afgesloten laagte en het laaggelegen gebied ten noorden van Leutingewolde trad veenvorming op. Het veen is ontstaan vanaf de (natte) vegetatie die in het Holoceen in de laagten rond het huidge gebied van het Leekstermeer begon. Het was toen een laagvlakte waarin het water vanaf de hogere delen via de Drentse beken Eelderdiep en Peizerdiep zich verzamelde en slecht afgevoerd werd via het Reitdiep.

De zee wist in sommige perioden tot het meer door te dringen, wat resulteerde in oeverafslag en brak water. De historische naam Zultemeer of Solthemeer duidt hier op. Hierdoor werd er op de lagere delen klei afgezet. Overstromingen in de 11e of 12e eeuw, als gevolg van de daling van het maaiveld, bedekten de laagvlakte van nu het Leekstermeer met een laag klei. Door deze kleilaag werd de ondergrond minder waterdoorlatend en dit gebied steeds natter.

Dit lage gebied is onderdeel van de laagveenontginningen uit de Middeleeuwen, die aanvingen vanaf 1000 (Ref R35) tot rond 1300 nC. In tegenstelling tot Roderwolde zijn er bij Leutingewolde geen veenterpen te vinden.
Het gebied is ook het enige in Drenthe wat beneden NAP ligt.

Veenweide landschap

Van dit oud-veenweidelandschap is het oorspronkelijke ontginnings- en verkavelings patroon op veel plaatsen (Jarrens, Bolmert) rond het Leekstermeer nog gezichtsbepalend: lange smalle en natte percelen met greppels en sloten, met een wijde groene open ruimte met houtwallen, polderbossen, geriefbos (ten behoeve van hakhout), hekken en dammen.
Het gebied wordt gekenmerkt door een open veenweidelandschap met aan de westzijde gelegen het Leekstermeer. Langs het meer bevinden zich plaatselijk brede rietkragen. Meer dan de helft van het gebied bestaat uit (voormalige) cultuurgraslanden.

Leutingewolder es

De Leutingewolder Es en Achter de es waren vroegere hoogveengebieden.
De hoogveenbedekking was in deze streek vrij dun, zodat al vrij snel na ontginning, ontwatering en vertering van het veen de zanderige ondergrond werd bereikt, een voorbeeld van secundaire esvorming.

Kleiafzettingen

Door water-ondoorlatende kleiafzettingen uit het Elsterien-tijdperk was de kwaliteit van de turf niet al te best (Ref R35), zodat turfwinning geen grote vlucht heeft genomen. Alleen in de Lettelberter Petten is in het verleden verveend.
Ook de Leutingewolder-es is bedekt geweest met veen.

Aan de oostkant van dit gebied lagen Sandebuur en Roderwolde, ook gesitueerd op een zandondergrond. Roderwolde is in latere tijden naar het zuiden verplaatst, omdat door het afgraven van de noordelijke veengebieden het steeds drassiger werd.

Hooilanden

In tegenstelling tot veel Drentse dorpen bezit Noord-Drenthe, ten noorden van Roden, relatief weinig akerbouw / grond. Dit komt door de lage ligging, waardoor het als bouwgrond niet geschikt is.
Door de waterbeheersing in de Leutingewolder Polder kon dit gebied ten volle worden benut als hooiland. De landen rond het Leekstermeer stonden in die tijd buiten de regio bekend als hooilanden. Ook inwoners uit Roden, Lieveren en Steenbergen bezaten hier in de Jarrens en de Bolmert grond t.b.v. het hooi.
Elk jaar in juni, soms nog in juli, vonden er TOPGRAS verkopingen plaats, waarbij de kopers het gras zelf moesten oogsten van de velden. Dit duurde tot rond de jaren 1950.
Nadat het hooi was binnengehaald, werden de landen nogmaals verhuurd (Naweide) waarbij de huurders de opbrengst van het land (hooi) mochten behouden.
De weg die vanaf Nietap richting het Leekstermeer liep heette vroeger dan ook de Hooilandse laan.

Oude veenlandschap rond Leekstermeer,
in de Bolmert


Veentypes (1000 nC):
(Bron R31



Één van de eerste vermeldingen
van Topgrasverkoping in 1893 te
Leutingewolde, vallende onder Roden