Leutingewolder polder

Wateroverlast

De landerijen langs het Leekstermeer liepen vroeger, voornamelijk 's winters, regelmatig onder water.
Pas rond de 13e eeuw werden er Zijlversten ingesteld om het water te gaan beheersen, dit werd voornamelijk ingesteld vanuit het klooster te Aduard die dit nodig hadden om hun landerijen goed te kunnen verhuren.
Rond 1570 verdween het Aduarder klooster en nam (de provincie) Groningen de functie hiervan middels zijlvesten over, die ze daarna rond 1700 weer overdeed aan grote landeigenaren.
Hierdoor ontstonden veel verschillende belangen en miste een integrale aanpak van de problematiek.

Leekstermeer gebied

Door de aanhoudende problematiek waren er tussen 1752 en 1758 al 25 Stukken betreffende verzoeken van de zijlrechters en ingelanden van Niekerk, Oldekerk, Faan, Lettelbert, Oostwold, Leutingewolde en Roderwolde om het waterpeil te verlagen.
Op kaarten uit ca 1835 (J. Sappé) worden bij Sandebuur een aantal watermolens aangegeven ter bemaling van dit gebied, dit waren waarschijnlijk molens van individuele eigenaren.

Rond 1840 (een aantal erg natte jaren) had men veel last van waterproblemen. De meeste waterschappen in Nederland waren zelfstandig en er was onvoldoende onderling overleg en samenwerking. In 1847 werd van overheidswege besloten de waterschappen onder landelijk gezag te brengen. Rond 1850 werd besloten tot een betere beheersing van de waterstand in de zuidelijke Leekstermeergebieden (vanaf de Jarrens tot en met Sandebuur).

Waterschap en polder

Besloten werd tot de oprichting van het waterschap Roderwolde (1863) en later waterschap Leutingewolde en de aanleg van de Leutingewolder-polder. Bij koninklijk besluit van 23 augustus 1866 wordt dit bekrachtigd. De oppervlak van deze polder was 710 hectare.
Voor de financiering wordt een onderhandse akte van geldlening tussen de volmachten (het bestuur) en vijf ingelanden ten behoeve van de op- en inrichting van de Leutingerwolderpolder gesteld.

Molen

Het waterbeheer in deze Polder van Leutingewolde, Foxwolde en Sandebuur, die al omdijkt was, werd verbeterd door de bouw van een molen. Verschillende Leutingewoldenaren waren aandeelhouder van de Polder en -molen.

Voor de droogmaling werd op de lokatie waar de Gouwe (via de later vernoemde Molensloot) in het Leekstermeer uitmondde een achtkantige molen met molenaarswoning gebouwd, de grootste poldermolen van Drenthe. De molen werd gebouwd in 1858 door molenbouwer H. Seubring uit Noordlaren voor een bedrag van 6183 gulden. Deze molen was echter slecht bereikbaar, alleen per boot en te voet langs de Molensloot, omdat er geen weg naar toe ging.

Het waterpeil in het Leekstermeer werd toentertijd vastgesteld op -1 m NAP, dat is ca 15 cm lager dan op dit moment het geval is.
Door de aanleg van de Rodervaart is de gehele afwatering rondom Leutingewolde, Sandebuur en Foxwolde gewijzigd.

Stoomgemaal

Pas in 1916 wordt er een weg vanaf de Hemrik bij Leek, naast de voormalige steenfabriek De Hemmerik, doorgetrokken via de Jarrens. Op 11 september wordt dan het nieuwe stoomgemaal, met 37 I.N.D.P. in gebruik genomen, geleverd door de firma Landeweer. Deze loosde ca 50 m3 water. Voor dit gemaal werd een kanaal vanaf het Leekstermeer gebaggerd.
in 1917 wordt Meindert van Zanten aangesteld als nieuwe watermolenaar annex machinist.
In maart 1926 werd de oude windwatermolen op afbraak te koop aangeboden, ze was al in mei 1926 afgebroken.

Andere gemalen

In 1934 wordt de bestaande stoommachine te koop aangeboden. Er is toen een dieselgemaal geïnstalleerd.
In 1941 echter, tijdens de oorlog, ontstaat er een algemeen tekort aan brandstof. In 1942 wordt vanuit Pieterszijl een (overtollige) windwatermolen met wieken van wel 32 meter aangekocht om de bemaling te gaan verzorgen. Dit plan en plaatsing is echter niet verwezenlijkt.
In 1950 wordt er een electrisch gemaal neergezet.
Tot in het begin van de 20-e eeuw stond een groot deel van dit gebied in de winter nog onder water. Pas na de afsluiting van de Lauwerszee in 1969 is de ontwateringsituatie zodanig verbeterd, dat overstroming van het gebied tot de hoge uitzonderingen behoort.
Het waterschap Leutingewolde werd in 1968 opgeheven.

Waterberging

Rond het jaar 2000 werd het gebied rond het Leekstermeer aangemerkt als een wetland, de functie van de omringende gebieden werd veranderd in een waterbergings- en overloopgebied, ook wel Electra-boezem genoemd. Hierdoor werd veel aangewonnen land uit de Jarrens, Middelvennen en Bolmert (en Sandebuur) grotendeels teruggegeven aan het water als een meebewegende berging. Hiertoe zijn openingen in de kade langs het Leekstermeer de Rodervaart gemaakt, de kaden zelf blijven gehandhaafd.
(Bron R22).
De molen aan het Leekstermeer werd gebouwd in 1885 door molenbouwer H. Seubring uit Noordlaren.
Het was een forse molen met een vlucht van zeker 24 meter met twee vijzels. De molen stond aan het Leekstermeer, op de plaats van het huidige elektrische gemaal bij paviljoen Cnossen.

Hij bemaalde de polder die in 1866 werd vergroot naar 720 hectare.
De eerste molenaar was Engbert van Esch.


Doorsnede van de molen. (Bron R10).


1942: Besluit tot aanschaf van een nieuwe watermolen


Het gemaal.