Landbouw

Vroeger was er in esdorpen, soortgelijk aan Leutingewolde, een gemengde landbouwerij. Men verbouwde rogge en speciaal in Leutingewolde en Noord Drenthe hop.
Door inklinking van de grond en mede daardoor het hoger komen te liggen van de grondwaterstand werd de ondergrond vochtiger en nam de akkerbouw binnen dit gebied af, ten nadele van de veeteelt.
Verder bleek in mineralogisch opzicht vooral de dekzanden hier zeer arm van samenstelling, zodat een intensieve akkerbouw niet goed mogelijk was.
Bron R20

Indeling land

Toen de prijzen van agrarische producten afnamen in de periode van 1650-1750 konden veel boeren de hoge belastingheffingen niet meer betalen. Het areaal bouwland nam hierdoor geleidelijk af ten gunste van het gedeelte grasland.
De verdeling bouwland t.o.v. groenland (hooi- of koelanden) in Drenthe was ongeveer 1:1. De verdeling in dit deel van Drenthe (gemeten in Kerspel Roderwolde) was ongeveer 1:4 (referentie jaar ca 1670).
Bron R20

Op basis van belastingkaarten uit 1832 blijkt dat de akkerbouwgronden (de Es,de brinkstukken en Nijkampen binnen de Ring en verder ook rond de Dobberes en Zulther Es) de hoogste belastbare opbrengst hadden, tot 20 gulden per hectare. Dit tezamen met een deel van de Bolmert, het gebied rond de molensloot, waar mogelijk veel hooiopbrengsten waren.
De madelanden hadden een iets lagere opbrengst (ca 10 gulden). De lagere gebieden (Goltboorn, lage Bolmert, Middelvennen en Achter de Es) brachten nog minder op. De nog vrijwel onontgonnen gebieden (Haarvenen en Holbargen) hadden vrijwel geen opbrengst.
(Bron R02).

Woeste gronden

Woeste of onbezaaide gronden waren gronden die wel in bezit waren maar niet bebouwd werden. De grotere woeste gronden waren vaak een gemeenschappelijk bezit, terwijl de bebouwde landen vaak individueel in bezit waren. Het was vaak onmogelijk om met de toentertijd beschikbare landbouwmethodes grotere delen van deze gronden te benutten. Dit veranderde pas bij de mechanisatie van de landbouw.
Woeste gronden werden voor de belastingen vaak gekwalificeerd als haver- of woestland, dit was grond dat niet onder de ploeg was.
Wel was het de bedoeling om verschraling en ontstaan van heide te voorkomen, dus nochtans omt seste ofte seuvende yaer wel moeten messte en besayen om niet mit heide te belopen. Daarnaast werden de woeste of heideachtige gronden ook gebruikt voor het weiden van schapen. In delen van Drenthe werden de plaggen ook gebruikt als (armere) meststof.
Binnen Roderwolde (een soortgelijke omgeving als Leutingewolde) was het aandeel woeste grond meer dan 50%: meer dan de helft van de gronden was slechts in gebruik.
Bron R20

Boerenbedrijven

De samenstelling van beroepen binnen Leutingewolde (geen kerkdorp) was tot ca 1800 volledig bestaand uit boeren. De voorzieningen (schoenmakers, weevers, smid e.d.) waren gevestigd in Roden.
Door toename van de kleine ontginningen werden de boerenbedrijven kleiner, omdat er meer keuters een plaats kregen (dit was vooral in de regio Noordenveld in Drenthe van belang). In het gebied bij het Leekstermeer (waaronder Leutingewolde) legde men zich vrijwel uitsluitend op de veeteelt toe.
Bron R35

Hop- en gagelteelt

Gagel

Voor de late Middeleeuwen gebruikt voor de bereiding van bier vooral gagel. Gagel komt voor op natte, zure en venige grond op heidevelden, dat is wat de gagelstukken oorspronkelijk waren. Binnen Leutingewolde bestaat nog steeds de naam Gagelstukken en Gagelveld (zie Haarvenen).
Bron R28

Hopteelt

Vanaf 1600 ontstond in de gebieden rond Peize en Roden de hopteelt, dit gebied was tot ca 1800 de hop-schuur van Nederland. De hop werd voornamelijk gebruikt voor brouwerijen in Groningen.
Door de zware bemesting ontstond een kwalitatief goede grond waardoor het hoppeland voor de grondschatting (belastingen) hoog aangeslagen werden. Zo werd hiervoor 350 gulden per mud gerekend, zeven keer meer dan normaal bebouwd land. In 1612 waren er toen drie bewoners in Leutingewolde (zie Historie) met een totale grootte van 29 mudde, die belasting op akkerland betaalden.
In het midden van de 17e eeuw was de omvang 580 hoppekuilen in Leutingewolde, tegen 86.500 in Peize (dit was 50% van de noordelijke teelt). Dit waren alle kleinschalige telers. Hop werd geteeld op nattere gebieden die zwaar bemest werden met stadsafval en paardemest uit steden zoals aan Groningen. Hop werd in de streek tussen Roderwolde en Leutingewolde (vanaf de Goldboorn) tot op de Zulthe geteelt.
Kadasterkaart, 1832;


Belastingopbrengsten, 1832;
Hoe meer opbrengst, hoe geler de gebieden.
(Bron R02).


Landverdelingen, 1832;
(Bron R02).